De profundis

Оскар Уайльд
De profundis

INLEIDING

Verbis meis addere nihil audebant et super illos stillabat eloquium meum.

JOB XXIX, 22. Grafschrift van O. W., Bagneux-Parijs.

Оscar Fingal O'Flahertie Wills Wilde (1854-1900), de befaamde schrijver van den roman "The Picture of Dorian Gray", van verscheidene bundels sprookjes, essays, gedichten, van "Salomé", van vier blijspelen wier vertooningen niet ophielden volle schouwburgen in Londen te trekken, werd den 25en Mei 1895 veroordeeld tot twee jaar tuchthuisstraf. Zijn veroordeeling, om misdrijf tegen de zeden, was een onmiddellijk gevolg van zijn eigen aanklacht wegens laster tegen den Markies van Queensberry, den vader van Lord Alfred Douglas, Wilde's jongen, door hem verafgoden vriend. De veroordeelde onderging zijn straf in de gevangenis te Wandsworth en daarna in die te Reading, en het is in den allerlaatsten tijd van zijn verblijf hier, toen men hem toestond te schrijven wanneer en zoo lang als hij verkoos, dat "de Profundis" ontstaan is. De titel is niet van hem, maar van zijn literairen boedelredder, den Heer Robert Ross. Wilde zelf spreekt in een zijner brieven van het geschrift als: "Epistola in carcere et vinculis".

In Mei 1897 vrijgekomen, vestigde hij zich onder den schuilnaam Sebastian Melmoth eerst te Berneval in de buurt van Dieppe. Hier schreef hij het eenige werk dat hij na zijn gevangenschap volbracht: "The Ballad of Reading Gaol". Het was zijn bedoeling Berneval niet eerder te verlaten vóór hij zijn ontworpen drama "Pharaon" zou hebben voltooid. Maar reeds in October van hetzelfde jaar gaf hij gehoor aan Douglas' aanhoudend dringen en had een samenkomst met hem te Rouaan. Daarna waren de beide vrienden korten tijd samen op Douglas' villa te Posilippo bij Napels, maar werden gedwongen—vrienden en verwanten hielden beider toelagen in—opnieuw te scheiden. Wilde vertrok naar Parijs en leefde daar in betrekkelijk behoeftige omstandigheden. Hij stierf er aan meningitis den 30sten November 1900.

Oscar Wilde is zeker de meest tragische kunstenaarsfiguur uit onzen tijd. Niet in de allereerste plaats om zijn botsing met de geboekte zedelijkheidsbegrippen eener schijnheilige samenleving. Een onverzwakte persoonlijkheid zou dien slag met al zijn gevolgen van botte verguizing en redelooze krenking zonder doodsgevaar zijn tebovengekomen. Minder blinde moedwil zou aan de offerzucht van laster en liederlijkheid een zoo bandelooze orgie niet eens hebben gegund. Evenals alle hoogste geluk valt alle moordend leed buiten de grenzen onzer materieele gemeenschap. Het is niet de maatschappij die Wilde tot paria heeft gemaakt. Zij kon het niet. Omdat hij kunstenaar, dat is maatschappelijk reeds een paria was. Zijn ondergang is een evenzeer psychisch proces als b.v. de jarenlange geestesverduistering van Hölderlin of het wegzinken van Nietzsche. Maar er laait om hem een schijn van feller tragiek, omdat een onzichtbaar noodlot hem dreef tot de schijnbaar vrijwillige keuze van het verderf. Hij is als een slaapwandelaar die met open oogen zoû spelen om het leven: door zijn bejuweelde vingeren glijden en verglijden alle schatten tot den glimlach der hooghartige spilzucht verstart in de bewuste grijns van den dood.

De kunstenaar staat buiten de maatschappij in wier midden hij leeft. Het leven zelf scheidt hen. De kunstenaar kan de maatschappij als zoodanig verstaan of niet verstaan, maar de maatschappij den kunstenaar nimmer. Hun verband is daarom steeds een eenzijdig verbond, en wordt door elken oprechten kunstenaar verbroken zoodra zijn onafhankelijkheid gevaar loopt. Want onafhankelijkheid is voor den kunstenaar de eenige mogelijkheid van leven. Hij is de opperste individualist. Volstrekte zelfstandigheid is zijn levensadem. Niemand staat daarom zoo ver als hij van het individualisme als leuze. Want tot een leus maakt men alleen wat men niet heeft of slechts meent te bezitten. Het individualisme der leuze sterft zijn eigen dood, daar het geen doel heeft buiten zich. Dat van den kunstenaar is meteen het hoogste voorbeeld van altruïsme. Alleen de kunstenaar bezit het geloof dat het hoogste altruïsme bereiken kan waardoor alleen het te bereiken is: door het zuivere individualisme heen. Zoo een heeft met maatschappelijke wetten weinig te maken. Zij bestrijken een gebied dat niet reikt tot zijn grenzen. Zedelijkheidswetten begrijpt hij niet, maar hij heeft haar niet noodig. Zijn eigen moraal is hem genoeg. Zij bestaat in een onwrikbaren eerbied voor zijn eigen persoonlijkheid, een eerbied waarvan die voor andere persoonlijkheden voorwaarde en gevolg is. Wanneer een kunstenaar in botsing komt met de wetten der maatschappij, wanneer hij volgens die wetten veroordeeld en gestraft wordt, zal dit hem in zijn eigen oog niet vernederen; want de strafbare daad die hij beging, moet voor hem een even, misschien meer waardevolle plaats innemen in zijn leven dan andere daden waarom dezelfde maatschappij hem bewierookt. Hij zal zulk een straf ondergaan als de bezegeling zijner onafhankelijkheid. Evenmin als hij er aan denkt de wetten der gemeenschap te tarten, evenmin zal hij in vreeze voor haar kunnen leven. Wanneer de maatschappij met den zuiveren kunstenaar in botsing komt, kan men van haar niet anders verwachten dan dat zij zich belachelijk maakt. Haar optreden kan slechts beduiden een minderwaardig feit in de geschiedenis der emancipatie van den geest. In de laatste eeuw heeft zij gelukkig groote vorderingen gemaakt op den weg harer noodzakelijke evolutie. Toch is zij nog lang niet wat zij mettertijd wezen moet: een eerlijk gewaarborgde administratie der materiëele belangen. Alleen voor den kunstenaar is zij, gebrekkig als zij het moge zijn, nu reeds niet méer, omdat hij de voortijdig geestelijk geëmancipeerde is.

Oscar Wilde, die zeker geen zuiver kunstenaar was, zocht zijn ondergang door het noodlottige dualisme van zijn aanleg. Wat voor iederen onbevangene thans duidelijk is, dat zijn tehuis eer zijn cel in de gevangenis was dan de woningen der Engelsche grooten, voorvoelde hij met de noodlottige zekerheid van wie niet aan hun bestemming ontkomen, en hij maakte die verheimelijkte bewustheid tot den pervers bekorenden inhoud van een ledig mondain leven. Hij versmeet en verkwistte zich aan onwaardigen. Hij weigerde te zien wat hij maar al te scherp zag: dat de kunstenaar het leven niet doorkent door een alzijdige deelneming, maar door een eerlijke verdieping in zijn eigen bestaan. Toen zijn kennismaking met Douglas hem de hoogste mogelijkheden van zijn kunstenaarschap openbaarde, moet hem meteen zijn alzijdige gebondenheid zijn bewust geworden. Zoo viel een zuiver psychische crisis samen met een geruchtmakende veroordeeling om kwalijk bewezen beschuldigingen, en na zijn gevangenschap oneindige geestelijke verarming met maatschappelijken ondergang.

"De Profundis" is geschreven in de gevangenis, toen ophanden vrijheid zijn betrekkelijke ongemoeidheid tot nieuwe levenshoop prikkelde. Er is geen eenheid van gedachte in. Het werd stuksgewijze geschreven, zonder bezonken inzicht, naar oogenblikkelijke stemmingen, onder den druk van lichamelijk lijden en geestelijke hulpbehoevendheid welke hem onder den invloed hield van welwillenden die hem niet verstonden. Maar vaak stijgt de ziende geest boven den oogenblikkelijken toestand. Voor wie lezen kan, zijn de waardevolle gedeelten van den brief gemakkelijk te vinden.

Een leven van Oscar Wilde is nog niet geschreven. Het centrale punt is zijn vriendschap met Douglas. Daarheen en vandaaruit behoort het te worden geschreven en verklaard.

Douglas zelf is Wilde's onvoorwaardelijke vriend gebleven. Hoe de doode leeft in zijn herinnering, kan men lezen in een zijner laatste sonnetten, waarvan hier de vertaling volgt:

DE DOODE DICHTER
 
'k Droomde vannacht van hem: 'k zag zijn gelaat
Stralend en zonder schijn of schaûw van wee,
En hoorde als altijd de muziek dier zee,
Zijn gouden stem. Hij wekte in veil geraad
Verholen gratie waar zijn ooglicht glee.
Uit niets bezwoer hij wonders overdaad.
Tot 't minste ding in schoonheid ging verwaad,
En heel de weerld was éen bekoorde steê.
 
 
Dan, leek mij, buiten dicht gesloten poort
Rouwde ik om woorden ongeboekt verloren,
Verschald verhaal, geheimnis half gehoord,
Wondren verstoken van der wereld ooren,
Gedachten stom als vogelen vermoord—
En waakte en wist hem dood gelijk tevoren.
 
Den Haag, Maart 1911.

Het uitgegeven gedeelte van "de Profundis" is nauwelijks een derde van den geheelen tekst. Dezelfde persoonlijke redenen, die den heer Robert Ross, ondanks veler verzoek, weêrhielden het leven van Oscar Wilde te schrijven, waren oorzaak dat hij het handschrift in bewaring gaf in het Britsch Museum met de bepaling dat het eerst zeventig jaren na zijn, Ross', dood volledig zal mogen worden openbaargemaakt.

September 1912.

DE PROFUNDIS

Мijn plaats zou zijn tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade." Ik heb er vrede meê. Ik gevoel geen lust mij te beklagen. Een van de vele lessen die men in de gevangenis leert, is dat men best doet de dingen, nu en altijd, te nemen voor wat zij zijn. Ook heb ik niet den minsten twijfel of de schandvlek der middeleeuwen en de schrijver van "Justine" zullen op den duur beter gezelschap zijn dan menige Brave Hendrik....

Dit alles greep plaats in de eerste helft van November van het voorlaatste jaar. Het leven stroomt als een breede rivier tusschen mij en een zoo verwijderd tijdstip. Gij die vrij man zijt, kunt niet of nauwelijks zulk een wijde uitgestrektheid overzien. Doch mij schijnt het, laat ik niet zeggen gisteren, maar vandaag te zijn gebeurd. Lijden is éen oneindig lang oogenblik. Wij kunnen het niet in getijden verdeelen. Wij kunnen slechts zijn stemmingen aanteekenen en haar terugkeer boeken. Voor ons heeft de tijd zelf geen voortgang. Hij wentelt om. Hij schijnt rond te draaien om éen middelpunt: leed. De verlammende onbewegelijkheid van een leven waarvan elke bijkomstigheid geregeld wordt naar een onveranderlijk voorbeeld, zoodat wij eten en drinken en nederliggen en bidden, of tenminste onze knieën buigen, volgens de onwrikbare wetten van een ijzeren voorschrift,—deze eigenschap van onbewegelijkheid, die elken dag met zijn verschrikkingen tot in het haarkleinste onderdeel gelijk maakt aan zijn broeder, schijnt zich mede te deelen aan die uitwendige krachten wier eigenste wezenheid van bestaan onafgebroken wisseling is. Van zaai- en oogsttijd, van de snijders die buigen over het graan of de druivenlezers die zich pad banen door de wijngaarden, van het gras in den boomgaard dat wit is van den bloesemregen of overstrooid ligt met afgevallen ooft,—daarvan weten wij niets en kunnen wij niets te weten komen.

 

Voor ons bestaat er slechts éen getijde, het getijde der smart. Zelfs de zon en de maan schijnen van ons te zijn weggenomen. Buiten is de dag misschien blauw en gouden, maar het licht dat neêrzeeft door het dicht gedempte glas van het kleine raam met zijn ijzeren traliën, waaronder wij zitten, is grijs en karig. Het is altijd schemering in onze cel zooals het altijd schemering is in ons hart. En in den kring der gedachte, evenzeer als in den kring van den tijd, bestaat beweging niet meer. Het voorval dat gij persoonlijk allang vergeten zijt of gemakkelijk kunt vergeten, overkomt mij nu op het oogenblik, en zal mij morgen opnieuw overkomen. Houd dit in gedachte, en gij zult instaat zijn eenigszins te begrijpen waarom ik schrijf en waarom op deze wijze....

Een week later word ik hierheen overgebracht. Nog drie maanden verstrijken, en mijn moeder sterft. Niemand wist hoe diep ik haar beminde en vereerde. Haar dood was verschrikkelijk voor mij. Maar ik, eens een machthebber over de taal, heb geen woorden om mijn benauwing en mijn schaamte uit te drukken. Nooit, zelfs niet in de meest volmaakte dagen van mijn ontwikkeling als kunstenaar, zoû ik woorden hebben kunnen vinden geëigend tot het dragen van een zoo verheven last, of om te bewegen met toereikende statigheid van muziek door den purperen optocht van mijn onuitsprekelijk wee. Zij en mijn vader hadden mij een naam nagelaten, dien zij tot adel en eer hadden opgevoerd, niet enkel in letterkunde, kunst, oudheidsleer en natuurwetenschappen, maar in de openbare geschiedenis van mijn eigen land, in zijn ontwikkelingsgang als een natie. Ik had dien naam voor eeuwig onteerd. Ik had hem gemaakt tot een gemeen spreekwoord onder gemeene lieden. Ik had hem door het slijk gesleept. Ik had hem overgegeven aan de redeloozen om hem even redeloos te maken als zichzelf, en aan dwazen om hem te veranderen in een naamgenoot voor waanzin. Wat ik toen leed en nog lijd, kan geen pen schrijven en geen geschrift verhalen. Mijn vrouw, onveranderlijk lief en zacht voor mij, reisde, liever dan dat ik het nieuws van onverschillige lippen hooren zou, ziek als zij was, heel van Genua naar Engeland om zelf het eerst mij de tijding te brengen van een zoo onherstelbaar, zoo onvergoedbaar verlies. Betuigingen van medegevoel kwamen tot mij van allen die nog eenige genegenheid voor mij hadden. Zelfs menschen die mij nooit persoonlijk hadden gekend, schreven, toen zij hoorden dat een nieuwe smart over mijn leven losgebroken was, met verzoek dat hun deelneming in een of anderen vorm aan mij zoû worden overgebracht....

Drie maanden gaan voorbij. De daglijst van mijn gedrag en mijn taak, die aan den buitenkant op de deur van mijn cel hangt, met mijn naam en vonnis als hoofd, zegt mij dat het Mei is....

Voorspoed, vreugde en welslagen kunnen ruw van nerf en grof van vezel zijn, maar smart is het fijngevoeligste van al het geschapene. Daar kan niets verroeren in de gansche wereld der gedachte, of smart trilt na met vreeselijke en teeder-heftige polskloppen. Het dun uitgeslagen sidderend stukje bladgoud, dat de richting aangeeft van krachten die het oog niet kan waarnemen, is in vergelijking grof. Smart is een wond die bloedt zoovaak eenige andere hand dan die der liefde daaraan raakt, en die zelfs dan nog, al is het pijnloos, bloeden moet.

Waar smart is, daar is gewijde grond. Daar zal een dag komen dat de menschen beseffen wat dat beteekent. Tot dan zullen zij niets van het leven weten. Robbie en naturen als hij kunnen het zich invoelen. Toen ik overgebracht werd uit mijn gevangenis naar het Bankroetiershof tusschen twee man van de politie, wachtte Robbie in de lange sombere gang om voor de oogen der geheele menigte, welke een zoo lieve en eenvoudige handelwijze in plotseling stilzwijgen deed verstommen, mij eerbiedig te groeten terwijl ik met de handboeien aan en met gebogen hoofd langs hem kwam. Er zijn menschen die den hemel verdiend hebben met geringere dingen dan dit. In dezen geest en in dezen aard van liefde knielden de heiligen neder om de voeten der armen te wasschen of bukten zij om den wang van den melaatsche te kussen. Nooit heb ik een enkel woord tot hem gezegd over wat hij deed. Tot op het oogenblik weet ik niet of het hem bekend is dat ik mij zijne handelwijze ook maar bewust was. Het is geen ding waarvoor men iemand vormelijken dank kan brengen in vormelijke woorden. Ik heb het weggeborgen in de schatkamer van mijn hart. Ik bewaar het daar als een geheime schuld die ik blijde ben te bedenken dat ik nooit bij mogelijkheid kan terugbetalen. Het wordt gebalsemd en frisch gehouden door de myrrhe en cassia van vele tranen. Wanneer wijsheid mij nutteloos was en wijsbegeerte dor, en de spreuken en zinsneden van hen die mij trachtten troost te geven, als stof en asch in mijn mond, heeft de herinnering aan die kleine, liefelijke, stilzwijgende daad van liefde voor mij al de bronnen van medelijden doen stroomen, heeft "de woestijn doen bloeien als een roos", en mij uit de bitterheid van eenzame ballingschap in harmonische gemeenschap gebracht met het groote wonde gebroken hart der wereld. Wanneer de menschen instaat zullen zijn te verstaan niet enkel hoe schoon Robbie's handelwijze was, maar waarom zij zooveel voor mij beteekende en voor altijd beteekenen zal, dan misschien zullen zij begrijpen hoe en in welken geest zij mij behooren te naderen....

Het eerste boek met verzen dat een jong mensch in de prille lente van den manlijken leeftijd de wereld inzendt, moet als bloesems zijn of als lentebloemen, als de witte meidoorn op de weide van Magdalen College of de sleutelbloemen op de velden van Cumnor. Het behoort niet belast te worden met den druk van een vreeselijk en weêrzinwekkend treurspel, een vreeselijk weêrzinwekkend zedendrama. Als ik er in toegestemd had dat mijn naam als heraut zoû dienen voor zulk een boek, zoû dat uit een oogpunt van kunst een zware fout zijn geweest; het zoû rondom het geheele werk een verkeerde atmosfeer hebben aangebracht, en in moderne kunst is atmosfeer van zooveel belang. Het moderne leven is gecompliceerd en relatief; dat zijn zijn twee onderscheidende kenteekenen; om de eerste eigenschap weêr te geven hebben wij atmosfeer noodig met haar verfijndheid van kleurschakeeringen, van suggestieve werkingen, van wondere verschieten; voor het wedergeven van de tweede eigenschap behoeven wij achtergrond. Dat is de reden waarom beeldhouwkunst opgehouden is een representatieve kunst te zijn, en waarom muziek dat wel is, en waarom literatuur is en was en altijd blijven zal de opperste representatieve kunst....

Om de drie maanden schrijft Robbie mij een kort overzicht van het letterkundige nieuws. Zijne brieven zijn allerbekoorlijkst in hun geestigheid, hun knap en bondig oordeel, hun lichten taal-aanslag: het zijn heusche brieven, zij zijn als iemand die met u zit te praten; zij hebben het gehalte eener Fransche "causerie intime"; en in de kiesche vereering die hij voor mij heeft, doet hij nu eens beroep op mijn scherpzinnigheid, dan weêr op mijn zin voor humor, een anderen keer op mijn instmktmatig schoonheidsgevoel of op mijne ontwikkeling, en herinnert mij met honderd kleine trekken dat ik eens voor velen een scheidsrechter was over stijl in kunst, voor sommigen zelfs de opperste scheidsrechter, en toont zoo dat hij naast literairen takt evenzeer den takt der liefde bezit. Zijn brieven zijn de boodschappers geweest tusschen mij en die schoone onwezenlijke wereld der kunst, waar ik eenmaal koning was en zeker koning zoû gebleven zijn indien ik mij niet had laten lokken in de gebrekkige wereld van den gemeenen onvolgroeiden hartstocht, van lust zonder onderscheiding, begeerte zonder grenzen en honger naar wat geen gedaante heeft. Toch, alles wel beschouwd, had Robbie zeker kunnen begrijpen, of in elk geval vermoeden, dat om voor de hand liggende redenen van zuiver psychologische merkwaardigheid het belangwekkender voor mij geweest zoû zijn te hooren omtrent … dan te vernemen dat Alfred Austin beproefde een bundel gedichten ter wereld te brengen, dat George Street dramatische kritieken schreef voor de Daily Chronicle, of dat door iemand die niet instaat is een lofrede uit te spreken zonder stamelen, Mevrouw Meynell uitgeroepen was als de nieuwe Sibylle van den stijl....

Wanneer andere ongelukkigen in de gevangenis worden geworpen, zijn zij, indien zij al beroofd worden van de schoonheid der wereld, tenminste in zekere mate beveiligd tegen der wereld doodelijkste slinger worpen en schrikkelijkste schichten. Zij kunnen schuilen in de donkerheid van hun cel en van hun schande zelf een soort heiligdom maken. De wereld heeft voldoening gehad en gaat haars weegs, en men laat hen verder ongestoord lijden. Met mij is het anders gegaan. Smart is herhaaldelijk op zoek naar mij komen kloppen aan de deuren der gevangenis. Men heeft de poorten wijd geopend om dat bezoek binnen te laten. Zoo goed als nooit heeft men mijn vrienden vergund mij te zien. Maar mijn vijanden hebben steeds ongehinderd toegang gehad. Tweemaal terwijl ik openlijk terecht stond voor het Bankroetiershof, nog tweemaal terwijl ik openlijk overgebracht werd van de eene gevangenis naar de andere, ben ik in een toestand van onuitsprekelijke vernedering tentoongesteld aan de blikken en de bespotting der menschen. De boodschapper van den dood heeft mij zijne tijding gebracht en is weêr heengegaan; en in volslagen eenzaamheid en afgezonderd van alles wat mij troost of schijn van verlichting kon geven, heb ik den onduldbaren last moeten dragen van ellende en wroeging, waarmede de gedachtenis mijner moeder mij bezwaarde en mij nog immer bezwaart. Nauwelijks is die wond door den tijd niet geheeld, maar gelenigd, of heftige verbitterde en ruwe brieven van zaakgelastigden bereiken mij. Men bedreigt mij en hoont mij tegelijk met armoede. Dat kan ik dragen. Ik kan mij wennen aan erger dan dat. Doch mijn beide kinderen worden mij langs gerechtelijken weg ontnomen. Dat is en zal altijd voor mij blijven een bron van oneindigen nood, van oneindig leed, van verdriet zonder duur of grens. Dat de wet kan beslissen en zich aanmatigt te beslissen dat ik iemand ben ongeschikt om met mijne eigen kinderen samen te zijn, is iets volslagen afschuwwekkends voor mij. De schande der gevangenis is daarmede vergeleken niets. Ik benijd de andere mannen die samen met mij de binnenplaats treden. Ik weet zeker dat hun kinderen hen wachten, naar hun komst uitzien en goed voor hen zullen zijn.

De armen zijn wijzer, liefderijker, vriendelijker, gevoeliger dan wij. In hun oogen is de gevangenis een ramp in iemands leven, een ongeluk, een speling van het toeval, iets dat medegevoel opwekt in anderen. Zij spreken van iemand die in de gevangenis is, eenvoudig als van een "in moeite". Het is hun gewone zegswijze, en de uitdrukking heeft in zich de volmaakte wijsheid der liefde. Bij menschen van onzen eigen stand is het anders. Bij ons maakt de gevangenis iemand tot paria. Ik en menschen als ik hebben nauwelijks recht op lucht en zon. Onze tegenwoordigheid smet de genoegens van anderen. Wij zijn nergens welkom wanneer wij weêr voor den dag komen. Het schemerlicht der maan wordt ons niet gegund. Zelfs onze kinderen worden van ons weggenomen. Deze liefelijke banden met de menschheid worden verscheurd. Wij worden veroordeeld tot eenzaamheid terwijl onze zonen nog leven. Men onthoudt ons het éene dat ons zoû kunnen heelen en ophouden, dat balsem zoû kunnen strijken op het gekneusde hart en vrede schenken aan de ziel in haar leed....

Ik moet mij bekennen dat ik zelf mij te gronde richtte, en dat niemand groot of klein te gronde gericht kan worden dan door zijn eigen hand. Ik ben volkomen bereid het te bekennen. Ik tracht het te bekennen al denkt men op het oogenblik dat het niet zoo is. Deze meêdoogenlooze aanklacht breng ik zonder mededoogen tegen mijzelf in. Wat de wereld mij aandeed, moge verschrikkelijk zijn geweest,—wat ik mijzelf aandeed, was verreweg verschrikkelijker.

 

Ik was een man die in symbolische betrekking stond tot de kunst en de geestesbeschaving van mijn tijd. Ik had dit zelf in den vroegen dageraad van den mannelijken leeftijd ingezien en had daarna mijne tijdgenooten gedwongen het in te zien. Weinigen nemen zulk een stelling in tijdens hun eigen leven en zien die stelling op zulk een wijze erkend. Gewoonlijk wordt zij, indien ooit, bepaald door den geschiedschrijver of den criticus lang nadat zoowel de man als zijn tijd zijn voorbijgegaan. Met mij ging het anders. Ik heb het zelf gevoeld, en heb het anderen doen gevoelen. Byron was eene symbolische figuur, maar hij stond in betrekking met den hartstocht van zijn tijd en diens uitputting van hartstocht. Ik stond in betrekking met iets edelers en duurzamers, iets van meer levenskrachtige gevolgen, van wijder doeleinden.

De goden hadden mij bijna alleding geschonken. Ik had genie, een klinkenden naam, een hooge maatschappelijke stelling, de gave van te kunnen schitteren, intellectueelen durf. Ik maakte kunst tot een wijsbegeerte en wijsbegeerte tot een kunst. Ik wijzigde den geest der menschen en de kleur der dingen. Daar was niets wat ik zeide of deed, dat de menschen niet in verwondering bracht. Ik nam het drama, den meest objectieven vorm dien de kunst kent, en maakte het tot een even persoonlijke wijze van uiting als het lyrisch vers of het sonnet. Tegelijkertijd verruimde ik zijn gebied en verrijkte zijn karakterbeelding. Het drama, de novelle, het gedicht in proza, het gedicht op rijm, den subtiel realistischen of fantastischen dialoog, al wat ik aanraakte, maakte ik schoon in een nieuwen aard van schoonheid. Aan de waarheid zelf gaf ik wat onwaar is evenzeer als wat waar is, tot haar rechtmatig rijksgebied, en toonde aan dat het onware en het ware enkel intellectueele bestaansvormen zijn. Ik behandelde de kunst als de opperste werkelijkheid en het leven als niets meer dan een soort verdichtsel. Ik maakte de verbeelding mijner eeuw wakker, zoodat zij mythe en legende om mij heen schiep. Ik vatte alle wijsgeerige systemen samen in een zinsnede en alle bestaan in een epigram. Daarnaast hield ik mij met andere dingen bezig. Ik liet mij verlokken tot de langdurige begoochelingen van zinneloos en zinlijk welbehagen. Ik vermaakte mij er mede een flaneur te zijn, een dandy, een man van den dag. Ik omringde mij met kleine naturen en minderwaardige geesten. Ik werd de verzwendelaar van mijn eigen genie, en het schonk mij een bijzondere vreugde een eeuwigdurende jeugd te verkwisten. Vermoeid van op de hoogten te verkeeren, daalde ik opzettelijk af naar de laagten op zoek naar nieuwe zinnenprikkeling. Wat de paradox voor mij was in de sfeer der gedachte, werd het perverse voor mij in de sfeer van den hartstocht. Ten laatste was begeerte een ziekte of een waanzin of wel beide. Onverschillig werd mij het leven van een ander. Ik bevredigde mijn genotzucht waar het mij behaagde, en ging verder. Ik vergat dat iedere kleine daad van het dagelijksch leven vormend of vernietigend op het karakter inwerkt, en dat men daarom wat men in zijn binnenkamer heeft gedaan, eenmaal zal moeten verkondigen van de daken. Ik hield op meester over mijzelf te zijn. Ik stond niet langer aan het roer mijner ziel, en wist het niet. Ik liet mij door genot beheerschen. Ik eindigde in afgrijselijke schande. Nu blijft er slechts éen ding voor mij over, volstrekte deemoed.

Bijna twee jaar heb ik nu in de gevangenis gezeten. De natuurlijke mensch in mij verviel tot woeste wanhoop, tot een verslagenheid van leed, die deerniswaardig was ook maar om aan te zien, tot schrikkelijke en onmachtige woede, tot bitterheid en haat, tot benauwdheid die luid weende, tot ellende die geen stem kon vinden, tot smart die stom bleef. Iedere mogelijke stemming van lijden heb ik doorgemaakt. Beter dan Wordsworth zelf weet ik wat Wordsworth bedoelde toen hij zeide:

 
"Leed is bestendig, lichteloos en donker,
En draagt de trekken der oneindigheid."
 

Maar terwijl er oogenblikken waren dat ik vreugde vond in het denkbeeld dat mijn lijden eindeloos wezen zoû, kon ik toch niet dragen dat het zonder bedoeling was. Nu vind ik ergens verweg in mijn natuur een verborgen ding dat mij zegt dat niets in de geheele wereld zonder bedoeling is, en lijden allerminst. Dat ding diep in mij begraven als een schat in een akker, is Deemoed.

Het is het laatste wat in mij overgebleven is, en het beste: de uiterste ontdekking waartoe ik geraakt ben, het uitgangspunt voor eene vernieuwde ontwikkeling. Het is tot mij gekomen rechtstreeks uit mijzelf, daarom weet ik dat het op het juiste oogenblik gekomen is. Het kon niet eerder gekomen zijn, en ook niet later. Indien iemand er mij over gesproken had, zoû ik het verworpen hebben. Als het tot mij gebracht was, zoû ik het geweigerd hebben. Nu ik het zelf gevonden heb, wensch ik het te behouden. Ik moet wel. Het is het eenige wat in zich de grondstoffen heeft ten leven, tot een nieuw leven, een "Vita Nuova" voor mij. Van alle dingen is het het wonderbaarste: men kan het niet weggeven, en een ander zoû het ons niet kunnen geven. Men kan het niet verwerven dan door alles op te geven wat men bezit. Slechts wanneer men alles verloren heeft, weet men dat men het bezit.

Nu ik tot de zekerheid ben gekomen dat het in mij is, zie ik volkomen helder wat ik behoor te doen, of beter, moet doen. En wanneer ik zulk een uitdrukking gebruik, behoef ik niet te zeggen dat ik niet zinspeel op eenige wet of gebod van buiten af. Ik erken er geen. Ik ben veel meer individualist dan ooit te voren. Niets komt mij van de geringste waarde voor dan wat men uit zichzelf wint. Mijn natuur zoekt naar eene nieuwe wijze van zelf-verwezenlijking. Dat is het eenige waar ik mede heb te maken. En het eerste ding dat voor mij te doen staat, is mijzelf te bevrijden van alle mogelijke verbitterdheid tegenover de wereld.

Ik ben volkomen zonder middelen en volstrekt zonder tehuis. Toch, er zijn erger dingen dan dit in de wereld. Ik ben volkomen oprecht wanneer ik zeg dat ik, liever dan uit deze gevangenis te gaan met bitterheid tegen de wereld in mijn hart, blij en reede mijn brood zoû willen bedelen van deur tot deur. Indien ik niets kreeg aan het huis der rijken, zoû ik iets krijgen aan het huis der armen. Zij die veel bezitten, zijn vaak gierig, zij die weinig hebben, deelen steeds. Het zoû mij niet kunnen schelen des zomers in het koele gras te slapen, en als de winter kwam, te schuilen in den warm en dicht met riet gedekten hooiberg of onder het afdak eener groote schuur, als ik maar liefde had in mijn hart. De uitwendige dingen des levens schijnen mij nu van niet het minste belang toe. Gij ziet tot wat hoogeren trap van individualisme ik gekomen ben—of liever bezig ben te komen, want de weg is lang en "daar zijn doornen waar ik ga".

Ik weet natuurlijk wel dat het mijn lot niet zal zijn aalmoezen te vragen langs den weg, en dat als ik ooit bij nachttijd nederlig in het koele gras, het wezen zal om sonnetten te schrijven op de maan. Wanneer ik uit de gevangenis kom, zal Robbie op mij wachten aan de andere zijde der groote met ijzer beslagen poort, en hij is het zinnebeeld niet enkel van zijn eigen genegenheid, maar van veler anderen genegenheid buitendien. Ik denk dat ik genoeg zal hebben om ongeveer achttien maanden in ieder geval te kunnen leven, zoodat ik, al schrijf ik voorshands geen schoone boeken, tenminste schoone boeken zal kunnen lezen; en is er wel grooter vreugde dan deze?

Рейтинг@Mail.ru